
Het onderzoeksteam van de POCI-trial in Amphia. Van links naar rechts: dr. Miriam Faes (klinisch geriater en medehoofdonderzoeker), prof. dr. Lijckle van der Laan (vaatchirurg en hoofdonderzoeker) en Seline Verbaan (promovendus).
Een succesvolle operatie is niet altijd hetzelfde als een succesvolle uitkomst. Zeker bij kwetsbare ouderen kan een technisch geslaagde ingreep alsnog leiden tot langdurige achteruitgang, verlies van zelfstandigheid of een lagere kwaliteit van leven. Voor vaatchirurg Lijckle van der Laan van Amphia Ziekenhuis is dat al jarenlang de drijfveer achter zijn onderzoek.
“Een operatie is technisch misschien geslaagd, maar als iemand daarna een jaar lang ernstig achteruit gaat, is dat dan goede zorg?”
Met steun van MedZO onderzoekt Amphia samen met Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis en Meander Medisch Centrum hoe ouderen met chronische ledemaat bedreigende ischemie (CLBI) beter voorbereid kunnen worden op een vaatoperatie.
Het doel is een succesvolle ingreep en vooral een beter herstel met een hogere kwaliteit van leven.
Eerst sterker worden, daarna behandelen
Chronische ledemaat bedreigende ischemie is de ernstigste vorm van perifeer vaatlijden. De aandoening komt vooral voor bij ouderen en heeft een grote impact op het dagelijks functioneren en de kwaliteit van leven. Ondanks de vooruitgang in operatietechnieken blijven de risico’s op complicaties, een lange ziekenhuisopname en functieverlies groot.
Binnen de POCI-studie onderzoeken de drie ziekenhuizen of een multidisciplinair prehabilitatieprogramma ouderen met chronische ledemaat bedreigende ischemie beter kan voorbereiden op een vaatoperatie. Gedurende minimaal twee weken werken patiënten samen met een vaatchirurg, geriater, fysiotherapeut en diëtist aan hun conditie, voeding en fysieke belastbaarheid.
Het doel is dat patiënten de operatie in een betere conditie ingaan, sneller herstellen en een hogere kwaliteit van leven behouden.
Daarnaast kijkt het onderzoek nadrukkelijk verder dan de medische behandeling alleen. Ook shared decision making, de belasting van mantelzorgers en de kosteneffectiviteit van de zorg maken deel uit van het onderzoek.
Passende zorg begint bij de patiënt
Voor Van der Laan is deze manier van werken een logisch vervolg op een onderzoekslijn waar hij al sinds 2010 aan werkt. Hij merkte dat traditionele onderzoeken vooral kijken naar harde uitkomsten, zoals complicaties, sterfte en opnameduur, terwijl juist de ervaren kwaliteit van leven voor oudere patiënten minstens zo belangrijk is.
“Ik zag patiënten die technisch succesvol werden geopereerd, maar daarna ernstig achteruitgingen. Dat voelde voor mij niet als goede geneeskunde.”
Die overtuiging leidde tot een brede onderzoekslijn naar passende zorg, waarbij er al jaren een intensieve samenwerking is met collega dr Miram Faes (Klinisch Geriater) en prof dr de Vries (medische psychologie, Universiteit Tilburg). Inmiddels promoveerden meerdere onderzoekers binnen dit thema.
Een project dat draait op samenwerking
De POCI-studie is een consortium van drie ziekenhuizen, maar de samenwerking gaat veel verder dan alleen de deelnemende organisaties. Ook binnen de ziekenhuizen werken verschillende disciplines nauw samen.
Vaatchirurgen, geriaters, fysiotherapeuten, diëtisten, verpleegkundig specialisten, onderzoekers, patiënten en mantelzorgers leveren allemaal een bijdrage aan het onderzoek. Daar is Van der Laan erg trots op.
“Waar ik het meest trots op ben? Dat iedereen enthousiast is. Niet alleen binnen ons eigen ziekenhuis, maar ook in de andere deelnemende ziekenhuizen.”
Hij bezocht de deelnemende ziekenhuizen om samen met artsen, fysiotherapeuten, diëtisten en andere betrokken zorgprofessionals het nieuwe zorgpad vorm te geven. Juist die gezamenlijke voorbereiding zorgt ervoor dat de werkwijze straks goed aansluit op de dagelijkse praktijk.
Onderzoek hoort thuis waar de zorg wordt verleend
Volgens Van der Laan is praktijkgericht onderzoek ontzettend krachtig. Daar waar de meeste patiënten met chronische ledemaatbedreigende ischemie worden behandeld, ontstaat dagelijks nieuwe kennis over wat in de praktijk wel en niet werkt.
“Als een ziekte vooral in algemene ziekenhuizen wordt behandeld, moet je het onderzoek daar ook doen.”
Door onderzoek uit te voeren op de plek waar de patiëntenzorg plaatsvindt, kunnen voldoende patiënten deelnemen en sluiten de onderzoeksresultaten beter aan op de dagelijkse praktijk. Dat vergroot niet alleen de wetenschappelijke waarde van
het onderzoek, maar zorgt er ook voor dat nieuwe inzichten sneller hun weg vinden naar de zorg.
Daarom is MedZO een belangrijke ontwikkeling. Het programma geeft algemene ziekenhuizen de mogelijkheid om praktijkvragen om te zetten in wetenschappelijk onderzoek en stimuleert samenwerking tussen zorginstellingen. Zo ontstaat steeds meer kennis die direct bijdraagt aan betere en passende zorg voor patiënten.
De praktijk blijkt soms ingewikkelder dan het onderzoek
Hoewel de inhoudelijke voorbereiding soepel verliep, bleek de organisatie rondom het project een grotere uitdaging.
De goedkeuring was snel geregeld, maar de administratieve afstemming tussen de deelnemende ziekenhuizen kostte uiteindelijk meer tijd dan gepland. Daardoor ontstond vertraging voordat alle ziekenhuizen daadwerkelijk konden starten.
Een grote winst in het delen van ervaringen. Elke studie levert inzichten op die verder gaan dan de onderzoeksresultaten alleen. Deze lessen over samenwerking, organisatie en implementatie kunnen toekomstige projecten verder helpen.
Dat laat zien dat onderzoek echt vooruit komt wanneer ook de samenwerking tussen organisaties goed georganiseerd is.
Samen bouwen aan passende zorg
Voor de toekomst hoopt Van der Laan dat MedZO verder groeit als landelijk netwerk waarin onderzoekers elkaar makkelijker weten te vinden en kennis sneller kunnen delen. Want uiteindelijk draait onderzoek om één doel: de zorg beter maken voor de patiënt.
“Juist in de algemene ziekenhuizen gebeurt ontzettend veel zorg. Daar liggen ook de grootste kansen om die zorg verder te verbeteren.”
Bekijk het onderzoek